We hoefden de volgende ochtend niet bang te zijn dat we het ontbijt zouden mislopen. Naast de wekker werden we nog eens extra gewekt door een van de medewerkers van het floatel die persoonlijk alle kamers langs ging om te kijken of iedereen wakker was.
Met het gebruikelijk ontbijt -gebakken eieren met toast- in ons hand schoven we aan aan één van de tafels die goed zicht hadden op de rivier. “Gaan we daar straks overheen?” vroeg zoonlief wijzend naar de aan staalkabels hangende brug in de verte. Nu had ik de dag ervoor er mensen overheen zien lopen en dat ding ging aardig heen en weer, maar goed wil je wat zien van de omgeving dan is een beetje gewiebel wel te overleven.
De brug bleek echter iets gammeler dan dat we ingeschat hadden. Langs gapende gaten waar ooit planken gezeten moeten hebben manoeuvreerden we ons naar de overkant. Het werd ietwat gênant toen ik alle gaten ontwijkend bijna ingehaald werd door een groepje kinderen voor wie dit waarschijnlijk dagelijkse kost was.
Langs kleine weggetjes liepen we verder tot we een klein restaurantje langs de weg zagen. We bestelde drie cola en zonken neer op de betonnen bankjes die er stonden. Zo zittend langs de weg zie je van alles langsgaan, brommertjes waar je je van afvraagt hoe het kan dat ze nog rijden, afgewisseld met nieuwe luxe auto’s en minibussen. Wanneer er niks langs reed werden we vermaakt door de aanwezige honden die duidelijk geen last hadden van de warmte en er vrolijk rond renden en speelden.
Verder dan het restaurantje zijn we niet meer gekomen, de tijd dwong ons om weer via hetzelfde bruggetje terug te lopen aangezien we in de middag naar de hellfire pass zouden gaan.


Het floatel


Te drogen gelegde pepertjes


Restaurantje langs de weg

In een oude rammelde minibus waarvan de banken met nog maar één bout vast zaten werden we netjes afgezet bij de ingang van de Hellfire Pass. We hadden geluk, we waren op een verdwaalde toerist na de enigen die het 4 km lange toegankelijke deel van de dodenspoorlijn bezochten.
De Hellfire Pass is berucht vanwege de vele doden. De pas is in 6 weken aangelegd en de krijgsgevangen moesten met behulp van niet toereikend gereedschap de rotsen uithakken om zo ruimte te maken voor het spoor.
‘s Nachts werd het werk verlicht door olie- en carbietlampen, vandaar de naam Hellfire pass. Van de 1000 krijgsgevangen waren nadat het spoor na drie maanden voltooid was nog slechts 300 man in leven.
Lopend langs de gedenktekens en de uitgehakte rotsen krijgen we een beeld van de ellende die zich hier ooit afgespeeld heeft. Het is vreemd, aan de ene kant is het heerlijk om hier rond te lopen in de rust en het mooie uitzicht en aan de andere kant probeer je stil te staan bij wat men hier meegemaakt heeft.
We negeren het bordje waarop staat dat degene die met een tour hier zijn vanaf hier terug moeten keren en lopen verder over de stenen en aangelegde rots trappen. We genieten van de omgeving totdat ook hier de tijd ons dwingt weer terug te lopen tot groot ongenoegen van zoonlief. Die wil de volledige 4 km lopen, want je weet maar nooit wat er verderop nog te zien valt.
Nog net op tijd komen we weer terug bij het beginpunt waar het gammele minibusje staat te wachten om ons weer terug te brengen naar het floatel.

Advertisements