Dat zoonlief mijn voorliefde voor beestjes geërfd heeft wordt mij gisteren weer duidelijk. Wanneer hij in de tuin aan het spelen is komt hij al roepend binnen rennen.
“Mama, kijk eens wat een liefie”
In zijn hand mag ik een worm bewonderen.
“Ik ga ‘m weer in zijn huisje zetten hoor”, en zoonlief rent weer naar buiten.
En zo gaat het nog even door, verschillende torren, kapoentjes en een pissebed passeren de revue. Als laatste komt hij met een slak binnen, of deze op zijn kamer mag slapen. Er wordt een potje gezocht, wat blaadjes erin en de slak heeft een nieuw onderkomen.
Maar even later bedenkt zoonlief zich, het is toch te warm op zijn kamer voor de slak. De slak krijgt een mooi plekje in de zandbak.

Manlief vindt het allemaal wat minder, maar die is er zo langzamerhand wel aan gewend. Toen hij ooit vroeg of ik bij hem bleef, moest hij mijn ratje erbij nemen. Daarna volgde nog een scala aan zielige en gevonden dieren. Sommige bleven, andere brachten we naar het asiel. Maar of hij er echt aan gewend raakt vraag ik me af.
Gisteravond laat hoor ik ineens een kreet uit de slaapkamer.
“Rotkatten!”
Eén van onze katten is zo lief geweest een flinke haarbal, met een restant eten op bed te deponeren.

En ineens moet ik denken aan een aflevering van Jan, Jans en de kinderen die jarenlang bij ons thuis op de wc gehangen heeft. Hierop is te zien hoe Jan ‘s morgens vroeg geconfronteerd wordt met een dode muis, hondendrollen, vogelpoep en als uitsmijter een haarbal op de motorkap van zijn auto, waarop Jan gilt dat vandaag nog alle dieren het huis uit gaan.
Waarom hing dit op het toilet, omdat het er vroeger thuis ook zo aan toe ging.
En lachend om deze herinnering loop ik naar boven om manlief schone lakens aan te reiken.

Advertisements