Ondanks onze vakantie stond ik vanmorgen om zeven uur naast m’n bed. Niet geheel vrijwillig, de auto van manlief moest naar de garage voor de jaarlijkse APK.
Na anderhalve week luieren waren we het ritme enigzins ontwend. Zoonlief werd met nog een halve cracker in z’n hand in de auto gepropt en na de auto vriesvrij te hebben geschrapt kunnen we op weg. Een half uur te laat komen we bij de garage aan.
“Wat is het kenteken van de auto en mag ik alvast kentekenbewijs deel 1”
“Kentekenbewijs deel 1” vraag ik nog heel stom en bedenk gelijk dat dit nog heel netjes in de binnenzak van de jas van manlief zit.
“Volstaat een kopie ook?”
“Nee, mevrouw, daarmee kunnen we de auto niet afmelden.”
In gedachte zie ik mezelf alweer, zonder een APK keuring, vertrekken en morgen weer terug komen.
De meneer van de garage is gelukkig erg meewerkend en stelt voor de auto alvast te keuren. Dan kan manlief het kentekenbewijs liefst vandaag nog langsbrengen of anders ergens deze week.

De auto wordt achtergelaten en zoonlief en ik gaan lopend op weg naar het metrostation om daar de tram te nemen naar m’n moeder. Dit is zo’n 20 minuten lopen en half verkleumd komen we daar aan.
Zoonlief loopt zich al helemaal te verheugen, hij krijgt z’n eigen strippenkaart. Bij de automaat wil ik de felbegeerde strippenkaart aanschaffen. De automaat blijkt alleen munten te accepteren, nergens is een gleuf voor biljetten te vinden. Dan maar met de chipknip, hier blijkt te weinig saldo op te staan.
Natuurlijk niemand te vinden die me kan helpen. Een speurtocht achter de poortjes van de metro heeft meer succes. Achter een loket zitten twee heren, maar hoe kom je door de poortjes zonder strippenkaart.
Een van de mannen ziet me speuren en komt naar me toe. Na een korte discussie, waarbij m’n humeur tot onder het vriespunt zakt, sta ik weer met zoonlief in de vrieskou buiten.
De man kan me niet helpen en geeft het advies een speciale chippas voor de metro aan te schaffen. Leuk, daar heb ik nu echt wat aan.
Dan maar naar het postkantoor, waar ik eindelijk een strippenkaart te pakken krijg. Het postkantoor bevind zich halverwege de winkelstraat en het nog maar een klein stukje lopen naar het huis van m’n moeder.
Een kop thee om op te warmen en weer op weg naar de stad, met de metro. De hele weg heeft zoonlief met z’n strippenkaart in z’n hand gelopen. En iedereen die maar enigszins wilde luisteren kreeg te horen dat hij nu ook een strippenkaart had.

Na toch weer teveel geld uitgegeven te hebben aan totaal nutteloze spullen, zoals een afgeprijsde kerstboom met muziek voor zoonlief, lopen we naar de tram. Die blijkt vroeger dan de aangegeven tijd al geweest te zijn (ze waren toch altijd te laat?) en koukleumend kijken we de klok een kwartier verder.
Weer thuis bij m’n moeder belt de garage met de mededeling dat de auto klaar is. Er wordt even getwijfeld welke tram te nemen. De tram voor de deur gaat maar tot halverwege waarna we bij het metrostation weer over moeten stappen op een andere tram. Da’s dus twee keer wachten. De andere optie is eerst een stuk te lopen om daar de tram te nemen die zowat voor de deur voor de garage stopt.
We kiezen voor het laatste en eenmaal in die tram laat zoonlief weer heel trots z’n strippenkaart zien aan de conducteur.

Bij de garage blijkt manlief heel lief geweest te zijn en heeft z’n kentekenbewijs nog naar de garage gebracht. Dat scheelt me een hoop gedoe en op de weg naar huis nemen we voor manlief z’n geliefde roti mee. En neem me voor de volgende keer dat de auto naar de garage moet een fiets te huren. Of pas te gaan als het zo’n 30 graden buiten is, dan is het niet erg om te lopen.

Advertisements